3.
Orphelia zei niets, maar in haar hoofd had iemand een knopje ingeduwd dat de jaarlijkse zomerkermis in gang had gezet. Inclusief paardenmolens, zwevende stoeltjes en rariteitenkabinet.
“Voor iedereen is het ooit de laatste dag en je weet niet wanneer hij komt.”, herhaalde ze luidop. Buiten liep de buurvrouw voorbij het raam in een potsierlijke bloemetjesjurk met in de ene hand een gieter en in de andere een hark. Elke dag, voor zo lang Orphelia het zich kon herinneren, verzorgde de buurvrouw haar rozenstruik met een benijdenswaardig moederinstinct dat ze voor haar zoontje Johannes echter zelden kon opbrengen. Furieus was ze geweest toen ze op een dag een gapend gat in de struik had ontdekt. Haar man had haar aan de beide armen moeten tegenhouden toen prompt daarop Orphelia neuriĆ«nd voorbij huppelde met een prachtige rozenkrans in haar haren. De geschiedenisboeken waren sinds die dag een regeltje rijker onder de rubriek “schuimbekkende vrouwen waarbij geen verdere tekens van hondsdolheid werden vastgesteld”.
Orphelia vroeg zich af wanneer de buurvrouw haar laatste dag zou beleven. Ongetwijfeld zou ze sterven aan de rand van haar bloemenperk, met de gieter nog in de hand. Misschien zou het vandaag al zijn. De buurvrouw zou gehurkt zitten aan de rozenstruik en terwijl ze de blaadjes een voor een inspecteerde, zou ze een voetbal van haar zoontje tegen haar achterste krijgen en haar evenwicht verliezen. Ze zou voorover tuimelen temidden van alle rozen en lek geprikt worden door de doornen. Alle lucht zou uit haar dikke kuiten ontsnappen en ze zou omhoog vliegen als een gehaaste mus met een oriƫntatieprobleem. En dan, als ze helemaal leeggelopen was, zou de pannenkoek die ooit de buurvrouw was met een doffe plof terechtkomen op de struik en daarmee alle rozen verpletteren. Orphelia grijnsde. De buurvrouw keek afkeurend naar binnen en liep vervolgens met de kin omhoog in de richting van de rozenstruik.
Aan de overkant van de straat stond de postbode onzeker in zijn brieventas te graaien. Hij was al sinds deze morgen aan zijn ronde bezig en zat nog niet eens in de helft van zijn brieven. En dit was niet omdat hij overal ging aanbellen omdat hij dorst had. En het was niet omdat hij om de haverklap verloren reed. Het was vooral omdat hij traag was. Met enig geluk werkte hij tegen het avondeten zijn ronde af zonder al teveel brieven bij het verkeerde huisnummer te bezorgen. Enkele weken geleden hadden Orphelia en Johannes hem nog bespied van achter de dikke boom in het park en gezien hoe hij stiekem de overgebleven brieven in het water bij de eenden had gegooid. Ze hadden hem nadien naar zijn huis gevolgd, waar zijn boze moeder al in het deurgat stond te wachten met een vuile schort aan. “De aardappelstoofpot is helemaal koud geworden!” had ze geroepen, en ze had de jankende postbode aan zijn oor naar binnen getrokken.
“Op een dag zal hij ook sterven,” dacht Orphelia “wanneer zijn moeder hem voor straf de hele stoofpot laat opeten en zijn buik zal scheuren. Of wanneer de boze eenden achter hem aan komen omdat de brieven niet voor hen bedoeld zijn, en ze geen zin hebben om ze zelf naar het juiste adres te brengen. Want eenden zijn luie beesten, ze willen enkel dobberen.”
In de woonkamer hoorde ze mensen lachen. Zomaar lachen. Alsof opa al lang vergeten was. Lachen en bulderen en grapjes vertellen. Lachen en praten terwijl ze emmers vol koffie dronken en zich volpropten met broodjes kaas. Orphelia hoopte dat ze zo hard zouden lachen dat hun mond scheurde. En dat hun mond bleef scheuren, langs hun oren en hun hals. En dat hij zo verder scheurde tot aan de schouders en de heupen, tot ze uiteindelijk helemaal gesplitst waren en hulpeloos op de grond lagen te trappelen om de ene helft terug bij de andere te krijgen. Het zou hen leren. Zomaar onbeschaamd lachen en vrolijk zijn.
Orphelia stond voorzichtig recht en schuifelde naar de deur die de hal met de keuken verbond. Ze vertikte het om nog langer naar schuddebuikende buurmannen en giechelende vriendinnen van de breiclub van haar moeder te moeten luisteren. Stilletjes zette ze de deur op een kier en gluurde ze naar buiten. Niemand. Enkel kapstokken met sombere zwarte jassen en hoeden en een enkele rode paraplu. Ze trok de deur nog iets verder open en schuifelde er zijdelings door, zodat ze er net tussen kon. Als ze de deur twee centimeter verder opende zou ze kraken en vooraleer je “ontsnappingspoging” kon zeggen, zou haar moeder de keuken binnenstormen. Voetje voor voetje sloop ze door de nauwe doorgang, met ingehouden adem, tot ze in de hal stond en de deur even stil weer dichttrok.
Geruisloos beklom Orphelia de trap. Ze lette er op dat ze de leuning niet aanraakte en probeerde haar voeten vooral niet naast de traploper te zetten. Nog elf treden. Zeven. Twee. Missie geslaagd. Ooit zou ze een goede spionne worden, daar was ze zeker van. Al klonk acrobaat ook niet slecht. Op de tippen van haar tenen trippelde ze naar haar kamer. Ze sloot de deur en kon weer uitademen. Ze liet zich achterwaarts op het netjes opgedekte bed vallen met haar armen zijdelings gespreid, alsof ze op het punt stond een sneeuwengel te maken in haar lakens.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten